Ron Veenstra belandde in een compleet andere werkelijkheid in Libanon. Een tijd gevuld met bizarre en intense ervaringen. ‘Het was een geestverruimende ervaring zonder drugs – iets wat je de rest van je leven bijblijft.’
Eenmaal aangekomen in Beiroet dacht Ron in een film te zijn beland. ‘We werden op het vliegveld achter in Franse vrachtwagens gezet en reden langs allerlei checkpoints. De ene keer werden de checkpoints bemand door Syriërs, dan weer door milities of Palestijnen. Je keek je ogen uit: kapotgeschoten huizen, tanks. Maar je hebt geen referentiekader, dus je denkt dat dit misschien wel normaal is daar.’ Zijn eindbestemming was Haris. ‘Ik werd eruit gezet bij een prefabonder- komen. “Je hebt geluk,” zeiden ze, “de tenten zijn net afgebroken.” Maar toen het begon te sneeuwen en ik op een slecht matras lag, dacht ik wel, waarom wilde ik dit ook alweer?’
Ron was chauffeur bij de staf- en verzorgingscompagnie. Hij kwam op allerlei plekken. ‘De ene keer haalden we post op in Beiroet, de andere keer brachten we materieel van post naar post. Soms reden we een welzijnswerker rond met de “klepkar”, vernoemd naar kapitein Klepke. We verkochten bij de observatieposten allerlei souvenirtjes en de militairen konden dan een gesprek voeren met de welzijnswerker.’
Ook bracht Ron verlofgangers naar de grensovergang tussen Libanon en Israël. Bij Nakura moesten ze hun wapens achterlaten. Daarna reden ze verder, langs christelijke milities en checkpoints. De ene keer ging dat soepel, de andere keer niet. ‘En dan ineens, bij de grens met Israël, was je in een totaal andere wereld. Je haalde een kop koffie en een donut. Het verschil was zó enorm groot.’
“Als je ervoor openstaat, maak je van alles mee”
Het verkeer was een uitdaging op zich. ‘Het was hier gewoon het Wilde Westen. Rotonde niet rechtsom? Dan linksom of zelfs rechtdoor. De schokkendste ervaring was het wegbrengen van het afval. Je reed de vuilnisbelt op, met je assen in de rotzooi, de stank was niet te harden. Mijn eerste reflex was uitstappen en de bak leegmaken. Maar toen zag ik vrouwen en kinderen in de vuilnisbakken graaien, op zoek naar iets eetbaars. Ze hadden geen bestaansrecht, de kinderen konden niet naar school. Hier in Nederland gaan kinderen demonstreren, daar probeerden ze gewoon te overleven. Dat is zo’n andere referentie, dat blijft je altijd bij.’
De dreiging was constant. ‘Je werd regelmatig beschoten. De strijdende partijen beschoten elkaar met granaten, en wij zaten ertussen.’ In de loop van de tijd werden er bunkers gebouwd om in te schuilen. ‘De ene dag werd er geschoten, de andere dag controleerde je voertuigen op boobytraps, en tussendoor haalde je post op. Het waren continu gekke ervaringen waarvan je pas later besefte dat ze niet normaal waren.’
Soms was de dreiging heel direct. Zo werd een collega van Ron eens bedreigd door jongens van een jaar of 13 met een doorgeladen pistool. ‘Die wilden indruk maken. Dat soort dingen creëert een rare vorm van stress. Sommige collega’s raakten er helemaal door van slag, andere haalden hun schouders op.’
En dan waren er de onverwachte ontmoetingen. ‘Midden in Beiroet had ik eens een gesprek met een Palestijnse strijder. Hij vertelde zijn verhaal en ik weet nog dat ik dacht: zijn deze mensen dan zo gevaarlijk? Als je ervoor openstaat, maak je van alles mee.’ Soms kreeg hij bizarre opdrachten. ‘We kregen een keer een koffer met meer dan honderdduizend dollar die naar een bank in Beiroet moest worden gebracht. Met twee doorgeladen uzi’s gingen we op pad, langs al die checkpoints. Toen vonden we dat normaal, maar achteraf denk je: dat is toch absurd?’
Na vijf maanden van het ene ‘verwondermoment’ in het andere te zijn gerold, begon Ron eraan te wennen en wilde hij graag terug naar huis. De terugkeer was moeilijk. ‘Je komt terug met het gevoel: en nu dan? Dat heeft wel een jaartje geduurd.’
De missie veranderde mensen. ‘Jongens met een grote bek werden kleiner, stille jongens groeiden in hun rol. Ik ben mezelf gebleven, maar als mens ben ik er zeker door gegroeid. De kameraadschap heb ik als prettig en soms als confronterend ervaren. Als je vijf maanden intensief met elkaar optrekt, dan voed je elkaar ook een beetje op. Op een gegeven moment was er een pelotonsbijeenkomst met een barbecue. Ik had daar geen zin in. Een maat zei toen tegen mij dat het ongepast was als ik niet zou gaan. Je doet het voor je team. Op zo’n reactie zat je niet direct te wachten, maar daar leerde je wel van.
Die vertrouwensrelatie had ik overigens vooral met de collega’s met wie ik de opleiding had doorlopen en die ik al een halfjaar kende. Met een aantal van hen heb ik nog steeds contact. Ik kijk met trots terug op mijn missie. Het was een geestverruimende ervaring zonder drugs. In mijn latere werk als milieutoezichthouder werd ik soms bedreigd, maar dan dacht ik: wat stelt dit nou eigenlijk voor?’
De 68-jarige Ron Veenstra groeide op in Leeuwarden, waar hij als tiener de mts weg- en waterbouw voltooide. In 1979 moest Ron opkomen voor zijn dienstplicht en vanaf januari 1980 volgde een uitzending naar Libanon. Na zijn diensttijd volgde hij onder meer de opleiding hbo milieukunde. In de gemeente Harlingen was Ron de eerste milieuambtenaar. Hij klom op tot leidinggevende, was nog vijf jaar lang adviseur van de commissaris van de Koningin in de provincie Friesland en sloot zijn loopbaan af bij de afdeling Crisisbeheersing van Veiligheidsregio Fryslân. Sinds een jaar is Ron met pensioen. Hij is getrouwd en heeft drie kinderen, van wie er twee bij Defensie hebben gewerkt. Een zoon van Ron werkt nog altijd bij de genie. Sinds kort is hij voorzitter van de pas opgerichte veteranenvereniging in de gemeente Harlingen.
Op 23 januari 1980 brachten de ouders van Ron hem naar de kazerne voor zijn vertrek naar Libanon. Op de terugweg zat vader Eelco in de auto te huilen. Het afscheid van zijn zoon bracht bij deze KNIL-veteraan herinneringen naar boven. Eelco Veenstra was nog voor de Tweede Wereldoorlog in dienst getreden bij het KNIL. Na het uitbreken van de oorlog werd hij tijdens een gevecht met Japanners krijgsgevangen gemaakt. Hij werd naar Birma vervoerd om te werken aan de beruchte ‘dodenspoorlijn’. Vervolgens moest hij naar Japan om in de mijnen te werken. Onderweg werd zijn boot tot zinken gebracht door de geallieerden. Al zwemmend heeft hij een Japanse officier het leven gered en aan land gebracht.
Door deze heldendaad mocht Eelco als verzorger werken en kreeg zo een relatief milde behandeling. Hij zat gevangen in de stad Nagasaki, zag in de verte nog de atoombom vallen die een einde aan de oorlog maakte en werd daarna met een Amerikaans vliegdekschip naar Nieuw-Guinea vervoerd. Vervolgens werd hij opnieuw ingedeeld en nam hij deel aan de politionele acties in voormalig Nederlands-Indië.
Ondanks al die, vaak traumatische, ervaringen wilde Eelco het beste voor zijn kinderen. Hij hield Ron niet tegen toen die naar Libanon wilde gaan. Ron: ‘Toen ik dat thuis vertelde, zag ik dat het mijn vader raakte. Maar hij zei niet dat ik het niet moest doen.’
Dit artikel verscheen ook in Checkpoint 02/2025.