15 maart 2022


In 2006 had Gwenda Nielen binnen het provinciaal reconstructieteam als taak om de wederopbouw te ondersteunen en het vertrouwen te winnen van de bevolking. Zo legde Nielen in Chora contact met een lokale politiecommandant.
‘Bij ons eerste bezoek aan deze politiecommandant was hij er al: een jongetje van een jaar of tien. Hij had zijn eigen politie-uniformpje aan en hij droeg een pistool.
Kortom, hij was een chaiboy. Deze jongetjes uit vaak arme families worden door mannen met macht weggehaald. Ze dienen als jongens van vermaak, schenken thee, moeten dansen en worden niet zelden door diezelfde mannen seksueel misbruikt. Walgelijk, zo’n dikke man met een jong kind.’
‘Enigszins machteloos vroeg ik mijn collega’s wat we met deze situatie aan moesten. ‘Put an Afghan face on it’, was hun devies. Probeer het vanuit hun perspectief te zien. Kijk niet alleen door je eigen bril. Het is hun land, hun normen en waarden, probeer daar rekening mee te houden.’
‘Dat probeerde ik, maar het voelde niet goed. Ik besefte ook heel goed dat de politiecommandant het nooit zou accepteren wanneer ik – als buitenlander en als vrouw – er iets van had gezegd. Ik kon die jongen niet weghalen. Ik had dat mandaat ook helemaal niet. Terugkijkend ging dit een morele grens over.’

‘Na twee jaar in Nieuw-Guinea nam ik met tegenzin afscheid van mijn groep. Ik wees iemand aan die de Bren-mitrailleur over zou nemen. Het was een stoere, grote jongen die die klus goed kon klaren. Ik had er alle vertrouwen in.’
‘Eenmaal in Nederland hoorde ik dat tijdens een patrouille twee mannen waren omgekomen: de nieuwe luitenant en die jongen die de Bren bediende. De infiltranten wisten precies wie ze moesten pakken: de man die de leiding had en de man met het grote geschut. De dood van de jongen met de Bren greep me erg aan. Als ik was gebleven, was dit niet gebeurd, daarvan ben ik overtuigd. Ik wist hoe het werkte, wist hoe we ons uit het zicht moesten verplaatsen.’
‘Ik ben de moeder van die omgekomen jongen gaan opzoeken. Ik vertelde dat haar zoon een goed militair was, stoer en betrouwbaar en een fijne collega. Ze zei me dat ze dat fijn vond om te horen. Ze was echt dankbaar voor het gesprek. Ze zei dat ze zonder dit verhaal niet door had gekund. Dat was toen voor mij voldoende.
Maar de laatste jaren komt deze geschiedenis steeds terug in mijn nachtmerries. Ik had zo graag willen weten hoe het die moeder verder was vergaan. Ik had een engeltje op mijn schouder dat ik thuis was toen deze aanval gebeurde, maar ik vraag me vaak af of het niet ten koste van die anderen is geweest.’

In 2014 werd Peter Wessels uitgezonden naar Zuid-Soedan. De missie had als doel om het land te helpen bij het versterken van de interne veiligheid. Wessels ging er dan ook heen met de opdracht om de politie op te leiden en te begeleiden, maar uiteindelijk kreeg zijn missie een heel andere invulling.
‘Verschillende stammen raakten met elkaar in oorlog. Als Verenigde Naties moeten we onpartijdig zijn, maar dat ben je niet als je de politie van een van de partijen gaat trainen. We zijn toen ingezet om ongewapend toezicht te houden in vluchtelingenkampen. In feite was ik daar een soort wijkagent zonder bevoegdheden. Het leven in zo’n kamp gaat gewoon door, er gebeurde van alles. Vechtpartijen, diefstallen, burenruzies.’
‘Op een dag zag ik een jongetje van een jaar of twee, in lompen gehuld, samen met zijn sterk vermagerde moeder naar buiten komen om mais te verkopen. Van de opbrengst wilden zij medicijnen kopen. Daar staken de beveiligers een stokje voor, want volgens VN-regels mogen vluchtelingen geen voedsel verkopen. Dan sta je voor een dilemma: volg je de regels of laat je het menselijke aspect meewegen? Ik was er in ieder geval helemaal klaar mee en riep het hoofd van de beveiliging erbij. Ik adviseerde hem dringend om dit toe te staan.’

