Wij hebben de meest opvallende voor je verzameld. Mist er volgens jou een exemplaar? Laat het ons weten.
In de volksmond ook wel ‘berenmuts’. Gemaakt van zwart bont, met een oranje pompom aan de voorkant en een rode zak met pluim bovenop. Voor 1940 droegen vooral huzaren, maar ook opperofficieren van het KNIL en de Koninklijke Marechaussee dit hoofddeksel. Tegenwoordig worden deze alleen bij ceremoniële uniformen gedragen door drie regimenten huzaren van de Koninklijke Landmacht en de 11e Afdeling Rijdende Artillerie (beter bekend als de Gele Rijders). Hier gedragen tijdens het defilé op de Nederlandse Veteranendag 2014 in Den Haag.
Zwart, tweekantig en vaak met oranje kokarde aan de zijkant. Behoorde tot 1948 tot het ceremoniële tenue van de opperofficieren van de Koninklijke Landmacht. Hier gedragen door hoofdofficier van administratie 1e klasse N.J.J. van Rijn van Alkemade in 1914.
Dit hoofddeksel kenmerkt zich door de gele kwast aan de voorkant, die fel afsteekt tegen het donkerblauw van de muts. Dit uiterlijke kenmerk onderscheidt de kwartiermuts van de Rijdende Artillerie van alle andere kwartiermutsen.
De Kepi is een hoge pet, veelal donkerblauw of zogeheten veldgrijs. Gedragen door Nederlandse officieren vóór de Tweede Wereldoorlog. Kepies vragen beduidend minder inspanning van de nekspieren dan een helm, maar bieden daarbij geen enkele bescherming tegen hoofdletsel. Hierdoor uit zwang geraakt toen Nederland deel ging nemen aan moderne oorlogen.
Wordt nu nog wel gespot op minder gewelddadige bijeenkomsten met een militair tintje.
Misschien hoort de baret niet helemaal thuis in het rijtje van de meest opvallende hoofddeksels binnen de krijgsmacht, maar hij is zeker niet de minste. Want laten we eerlijk zijn: de baret is het meest gebruikte én dus het meest voorkomende hoofddeksel. Bovendien is hij verkrijgbaar in vele kleuren en met diverse emblemen