leesverhaal
20 april 2017


“In Soedan in 2002 was ik verantwoordelijk voor het toezicht houden op het handhaven van het staakt-het-vuren in een gebied ter grootte van half Nederland. Ik bemiddelde als het mis dreigde te gaan tussen de strijdende partijen. Bij mijn tweede missie maakte ik deel uit van het VN ontwapeningsprogramma in Zuid-Soedan. Wapens moesten bij ons worden ingeleverd en wij zorgden voor andere bezigheden, zoals werk.
Ik ben er altijd klaar voor om weer op uitzending te gaan. Binnen 48 uur kan ik weg. Het is nooit af. Je kunt altijd helpen, en dat geeft enorm veel voldoening.
De tweede uitzending was minder succesvol dan mijn eerste, het geweld nam toe en van ontwapening kwam weinig terecht, maar ook dan: iedere dag geen oorlog is er één. Scheelt doden. De kans om dat verschil te maken, die krijg je in Nederland nooit. Er zijn militairen die een uitzending als corvee zien, maar ik ben een idealist.

“Dat vrijheid niet vanzelfsprekend is, heb ik van huis uit meegekregen. Mijn vader kwam getraumatiseerd uit de oorlog en in tegenstelling tot veel anderen, praatte hij daar vaak over. Van jongs af aan namen mijn ouders mij mee naar de herdenking op 4 mei.
Op Bevrijdingsdag ga ik in gesprek met bezoekers van het festival in Den Haag. Ik hoop hen mee te kunnen geven dat vrijheid niet vanzelfsprekend is en dat het nodig kan zijn om tot in het extreme te gaan om je daarvoor in te zetten. Ik ben blij dat ik heb geleerd om vrijheid te verdedigen. Het is het waard om voor te vechten.”